• 1968

    Uitgeschreven tekst video

    Vietnam is de grootste, de langdurigste en de bloedigste militaire interventie geweest van de Verenigde Staten in de Koude Oorlog. In de herfst van 1968 is Amerika verwikkeld in een barbaarse, immorele en uitzichtloze oorlog. Een strijd die in de ogen van velen niet te winnen valt. Als Lyndon Baines Johnson, in 1964 na de brute moord op Kennedy de ambtseed aflegt, heeft hij bezworen niet de geschiedenis in te gaan als de president die Vietnam heeft verloren aan de communisten.

    In 1968 heeft Amerika al drie miljoen ton bommen laten vallen op Vietnam, het dubbele van het aantal dat in WOII was ingezet tegen Duitsland en de Sovjet-Unie samen. Van de meer dan 500.000 Amerikaanse soldaten die in Vietnam gelegerd zijn vinden er elke maand 1000 de dood. Honderdduizenden Vietnamezen, voor het merendeel boeren die geen enkele actie hebben ondernomen tegen de Amerikanen, worden verminkt of vermoord. Intussen is aan het thuisfront de grootste anti-oorlogsbeweging ooit op gang gekomen. Ook in Europa voeren tegenstanders massaal actie tegen de VS, terwijl de VS zijn eerdere bondgenoten in de Koude Oorlog van zich vervreemdt.

    Veertien jaar eerder, in 1954, maken de akkoorden van Genève een einde aan de Franse koloniale heerschappij in Vietnam. Acht jaar lang heeft de guerrillabeweging Vietman onder leiding van de marxistische leider Ho Chi Min de Fransen bestreden. Volgens de akkoorden zal een militaire demarcatielijn ter hoogte van de 17e breedtegraad het land tijdelijk verdelen. Na twee jaar moeten verkiezingen leiden tot hereniging. Deze zullen er nooit komen, omdat gevreesd wordt dat de populaire Ho Chi Min zal winnen. In het zuiden komt de anticommunistische leider Ngo Dinh Diem aan de macht, die zich met Amerikaanse dollars in het zadel weet te houden. Het regime van de zeer katholieke Diem is onderdrukkend en corrupt. Het verzet van de Zuid-Vietnamese bevolking vindt een hoogtepunt in de publieke zelfverbrandingen van boeddhistische monniken. Het gewapend verzet tegen Diem organiseert zich in de communistische Vietcong, gesteund door Ho Chi Min.

    In 1954 had Eisenhower al de dominotheorie ten aanzien van Zuidoost Azië gelanceerd: als één staat communistisch werd, zouden aanpalende staten als dominostenen eveneens ‘omvallen’, dus in communistische handen raken. Het verlies van Vietnam zou een belangrijke overwinning zijn voor de Sovjets zo meent men in het Witte Huis. Toch toont de Sovjet-Unie niet de geringste interesse in Vietnam. Tussen 1960 en 1965 levert de Sovjet-Unie zelfs helemaal geen wapens aan Noord-Vietnam.

    Hoewel Kennedy aanvankelijk voorstander is van een diplomatieke oplossing en Zuid-Vietnam wil neutraliseren, wordt onder zijn bewind de economische en militaire steun aan Zuid-Vietnam al aanzienlijk opgevoerd. Vanaf 1961 laten de Amerikanen het beruchte ontbladeringsmiddel Agent Orange neerdalen over het Vietnamese land om oogsten te verwoesten en schuilplaatsen en -routes van de Vietcong bloot te leggen. Ten tijde van Johnson krijgt de dominotheorie een psychologische lading: als de VS niet pal staan in Vietnam zullen ze hun geloofwaardigheid wereldwijd verliezen. In augustus 1964 raakt Johnson verder betrokken in de oorlog door het zogenaamde Tonkin-incident: tot twee keer toe rapporteert een US torpedojager Washington door een Noord-Vietnamese patrouilleboot onder vuur te zijn genomen. Ondanks gebrek aan bewijs van die tweede aanval besluit Johnson tot vergeldingsbombardementen, de eerste luchtaanvallen op Vietnam. Bovendien wordt de zogenaamde Tonkinresolutie aangenomen die de president een volmacht geeft om militair in te grijpen in Zuidoost-Azië. Deze maatregel, zet, aldus McNamara, ‘the floodgates open’. Ondanks waarschuwingen van gematigder adviseurs zinkt Johnson vanaf nu steeds verder weg in het Vietnamese moeras. Wanneer bij een aanval op Amerikaanse installaties 32 Amerikanen gedood worden besluit hij tot Operatie Rolling Thunder, de codenaam voor permanente luchtvallen op Noord-Vietnam en de Vietcong. Die zullen van februari 1965 tot oktober 1968 voortduren. Op 8 maart zetten de eerste Amerikaanse grondtroepen voet aan wal bij Da Nang. De Noord-Vietnamezen weerstaan de aanvallen: zij verbergen zich en herbouwen gebombardeerde bruggen en wegen. Ook voeren ze hun infiltraties in Zuid-Vietnam verder op. De Amerikanisering van de oorlog is een feit: eind 1965 bevinden zich 180.000 Amerikaanse soldaten in Vietnam, in 1968 zijn dat er een half miljoen.

    De Sovjet-Unie en China reageren met het opvoeren van materiële steun aan de Noord-Vietnam, maar hun gezamenlijke bijdragen komen in de verste verte niet in de buurt van de Amerikaanse cijfers. Johnson vereenzelvigt zich steeds meer met de oorlog: ook zijn persoonlijke geloofwaardigheid en zijn historische nalatenschap staan op het spel.

    Ofschoon de Amerikanen erin slagen te voorkomen dat het Zuid-Vietnamese regime instort, ontstaat er een patstelling. Intussen rijzen er aan het thuisfront, ook binnen de Democratische partij steeds meer twijfels over de Vietnampolitiek. De voormalige havik McNamara stelt z’n mening bij en geeft opdracht studie tot bestudering van de besluitvormingsprocessen vanaf de jaren ’40 inzake Vietnam; dit zal resulteren in de zogenaamde Pentagonpapers.

    Op 31 januari 1968, de eerste dag van het Vietnamese Nieuwjaar start Noord-Vietnam een uitstekend voorbereide aanval op Zuid-Vietnam, het zogenaamde Tet-offensief. Tal van strategische plekken worden aangevallen. Na hevige gevechten en enorme verwoestingen winnen de Amerikanen het verloren terrein grotendeels terug. Wel plaatst dit onverwachte offensief de optimistische beweringen van de legerleiding dat de overwinning binnen handbereik zou liggen in een ongeloofwaardig daglicht. Steeds meer stemmen gaan op om deze zinloze, mensenlevens- en geldverslindende oorlog te beëindigen.

    In een televisietoespraak op 31 maart 1968 kondigt Johnson aan zich niet opnieuw verkiesbaar te stellen voor het Amerikaanse presidentschap. Tevens roept hij op tot vredesonderhandelingen met Vietnam. Die gaan in mei van datzelfde jaar in Parijs van start.

    De Praagse Lente

    Twintig jaar nadat de communisten de macht op hardhandige wijze naar zich toe hebben getrokken, beleeft Tsjecho-Slowakije een korte periode van liberalisering onder de gematigde leider Alexander Dubček. Een periode die de geschiedenis is ingegaan als de Praagse Lente.

    Na jaren van politieke repressie en economische malaise, neemt op 5 januari 1968 de gematigde Dubček de leiding over van partijleider Novotný. Dubček is voorstander van een ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Op 5 april wordt zijn Actieprogramma goedgekeurd. Het meerpartijensysteem wordt hersteld, mits de communisten een leidinggevende rol blijven spelen, het parlement krijgt meer bevoegdheden en private ondernemingen worden op beperkte schaal toegestaan. Het meest spectaculair is het herstel van de vrijheid van meningsuiting, waardoor het intellectuele leven tot bloei komt en een golf van protestbewegingen en demonstraties op gang komt.

    Intussen zien de andere leden van het Warschaupact de ontwikkelingen met lede ogen aan en dringen bij de Sovjet-Unie aan op een gewapend ingrijpen. Dubček verwacht dat Tsjecho-Slowakije, als trouw bondgenoot van het Warschaupact, een invasie bespaard zal blijven. Ook de Russische leider Brezjnev hoopt aanvankelijk op een diplomatieke oplossing, mede omdat hij een confrontatie met de NAVO vreest. Wanneer duidelijk wordt dat hij van het Westen niets te vrezen heeft besluit hij tot een invasie. In de nacht van 20 op 21 augustus 1968 rollen de Russische tanks Praag binnen, ondersteund door zo’n 375.000 man aan Sovjettroepen en ca. 75.000 soldaten uit Polen, Hongarije en Bulgarije. De bevolking biedt hevig verzet, onder meer door op de muren het vertrek van de Russen te eisen en alle bewegwijzering weg te halen, met uitzondering van de borden richting Moskou.

    Medio oktober zwichten Dubček en de zijnen. Onder de nieuwe leider Gustáv Husák worden nagenoeg alle maatregelen teruggedraaid en wordt de communistische knoet hersteld. Protesten blijven niet uit. Op 16 januari 1969 steekt de student Jan Palach zichzelf in brand op het Wenceslasplein in Praag en overlijdt enkele dagen later. Zijn voorbeeld wordt door een tiental anderen gevolgd. Dubček is politiek uitgeschakeld en krijgt een functie bij Staatsbosbeheer.

    De invasie wordt achteraf verantwoord met de zogenaamde Brezjnev-doctrine, een tegenhanger van de Trumanleer. Het komt erop neer dat wanneer ‘contrarevolutionaire krachten het socialisme in een socialistisch land in gevaar zouden brengen, dat niet alleen een probleem is van het betrokken land, maar van alle socialistische landen. De internationale solidariteit is belangrijker dan de nationale soevereiniteit.

    > Terug naar de video

    NL-1

    NL-2

    1945

    1947

    1948

    1949

    1950

    1956

    1961

    1962

    1968

    1972

    1980

    1989

    1991