• 1956

    Uitgeschreven tekst video

    Op 25 februari 1956 houdt de nieuwe Sovjetleider, Nikita Chroesjtsjov, in Moskou een toespraak voor het 20ste partijcongres. Het wordt een 4 uur durende redevoering die bij de leden van het partijcongres, maar ook in de rest van de wereld, inslaat als een bom. In niet mis te verstane bewoordingen neemt Chroesjtsjov afstand van het machtsmisbruik, de persoonsverheerlijking en de wandaden van Stalin. Drie jaar eerder, in 1953, is de ‘rode tsaar’ overleden, officieel aan een hersenbloeding, maar mogelijk doordat hij vergiftigd werd door Lavrenti Beria, de gehate voormalige chef van de geheime dienst. Na een drie jaar durende strijd om de macht tussen Beria, Malenkov en Molotov is het verrassend genoeg de boerenzoon Chroesjtsjov die als overwinnaar uit de strijd naar voren komt. Eerst als partijleider, later ook als minister-president.

    De aldus ingeluide destalinisatie gaat gepaard met een liberalere buitenlandse politiek: de nieuwe machthebbers kondigen aan voorstander te zijn van vreedzame co-existentie tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oostblok. De ontploffing van een tweetal zware waterstofbommen van de Sovjets in 1953 en ‘54 moet onderstrepen dat een oorlog tussen beide grootmachten het einde van de beschaving zou betekenen en dus geen optie is.

    Vrijwel onmiddellijk na de dood van Stalin komt er een einde aan de ergste excessen van diens regime. Ook is de Sovjetleiding van zins in de Oostbloklanden de teugels te laten vieren. Toch blijken er duidelijke grenzen aan deze liberaliseringstendensen.

    Na eerdere opstanden in Oost-Duitsland en Polen gaan op 23 oktober 1956 in Boedapest honderdduizenden burgers de straat op om te pleiten voor nationale onafhankelijkheid en democratisering. Een reusachtig standbeeld van Stalin wordt daarbij neergehaald. Aanvankelijk lijkt het partijpresidium in Moskou in te stemmen met een vergaande liberalisering en zelfs bereid haar troepen uit Hongarije terug te trekken. Als minister-president Imre Nagy echter aankondigt uit het Warschaupact te zullen treden en een neutrale koers te gaan varen, is dit voor de partijleiding in Moskou een stap te ver. Het Warschaupact is in 1955 opgericht als tegenhanger van de NAVO, n.a.v. de herbewapening van West-Duitsland. Uit vrees voor een precedent besluit Moskou hardhandig in te grijpen. Destalinisatie betekent niet dat de Sovjets bereid zijn hun bufferzone uit handen te geven.

    Op 4 november bestormen 200.000 Russische soldaten en 6000 Sovjettanks Boedapest en andere Hongaarse steden. Als Nagy begrijpt dat hij niet op westerse steun kan rekenen, besluit hij de strijd op te geven. Op sommige plaatsen bieden legereenheden, reservisten en vrijwilligers nog stand tegen de Sovjetovermacht, maar ook zij moeten hun verzet ten slotte staken. Zij voelen zich verraden door de VS, die ondanks hun beloftes van ‘roll-back’, het terugdringen van het communisme, de opstandelingen slechts in woorden blijken te steunen.

    Kádár, de nieuwe regeringsleider die later een van de meest liberale regimes van alle satellietstaten zal bewerkstelligen, gaat in dit stadium akkoord met genadeloze Sovjetrepressie: 2500 Hongaren en 722 Sovjetsoldaten komen tijdens de opstand om. Onmiddellijk erna worden 100.000 mensen gearresteerd, 26.000 aangeklaagd, 13.000 tot gevangenisstraffen veroordeeld terwijl tienduizenden hun baan verliezen.(1) Op verzoek van Kádár worden in juni 1958 Imre Nagy en verzetsstrijder kolonel Pál Maléter alsnog – via een list – uitgeleverd aan Hongarije en daar door ophanging ter dood gebracht.

    Het uitblijven van westerse steun heeft vooral te maken met het samenvallen van de Hongaarse opstand met de Suezcrisis. Na de nationalisatie van het Suezkanaal door de Egyptische leider Nasser, proberen de Engelsen en Fransen, geholpen door de Israëli’s, op rigoureuze wijze hun koloniale belangen in dit deel van de wereld te behartigen. Gedrieën vallen ze Egypte binnen waarbij de Fransen en Engelsen het Suezkanaal bezetten. Onder zware druk van de Amerikanen staken de voormalige koloniale grootmachten hun acties. Desalniettemin brengt de situatie de westerse mogendheden in een moeilijk moreel parket. Op de achtergrond speelde natuurlijk bovendien de dreiging van een escalatie van het conflict, waar vooral Dwight Eisenhower, als oud-generaal van WOII, beducht voor was.

    Ook Nederland krijgt aan den lijve te maken met de gevolgen van de Hongaarse Opstand. Tijdens de opstand ontvluchten zo’n 225.000 mensen via Oostenrijk hun vaderland. Naast politieke motieven waren er ook economische redenen om hun sterk verarmde land te verlaten. Een dag na de bloedige gebeurtenissen kondigt minister-president Drees al aan vluchtelingen op te zullen nemen. In een radiotoespraak heet koningin Juliana de eerste Hongaren welkom, daags nadien bezoekt ze de Jaarbeurshallen. Toch blijft de opvang in Nederland beperkt: Drees wil bij nader inzien niet meer dan 2500 vluchtelingen toelaten , omdat de Nederlandse economie te zwak zou zijn en ook de naoorlogse woningnood meer vluchtelingen niet toe zou laten. Daarbij blijken vooral de meest bruikbare arbeidskrachten, m.n. mijnwerkers, welkom. Uiteindelijk zullen in totaal zo’n 3500 vluchtelingen tot Nederland worden toegelaten.

    > Terug naar de video

    NL-1

    NL-2

    1945

    1947

    1948

    1949

    1950

    1956

    1961

    1962

    1968

    1972

    1980

    1989

    1991